You are not logged in
Log in
Sign up
Welcome

Mijn naam is Ted van der Ven , en ik ben 12 Februari 2011 begonnen met deze site.
Allereerst even een mededeling dat vanaf heden, leden van de website binnen de site niets meer kunnen veranderen. Natuurlijk is het mogelijk veranderingen aan te laten brengen als zaken niet in orde zijn, dit is geen enkel probleem, gewoon even een mailtje aan de webmaster en ik voer de wijzigingen door na controle. Deze site word door mij gemaakt met MyHeritage.com. Dit is een geweldig systeem dat mensen zoals u en ik in staat stelt een prive site te maken voor de familie, een stamboom te bouwen en familiefoto's te delen. Als u nog opmerkingen of feedback over deze site heeft, klik dan op here om contact met mij op te nemen. Namen, geboorte en overlijdens datums, foto's alles is welkom als ik het maar op de site mag publiceren, dus haal die oude schoenendoos van zolder :-).
Our family tree is posted online on this site! There are 32778 names in our family site. The earliest event is the birth of Childeric I, King Of The Franks (436). The most recent event is the death of Christa Anna Emma Dienelt (June 23 2014).
De site is voor het laatst bijgewerkt op Aug 28 2014 en heeft momenteel 124 geregistreerd(e) lid (leden). If you wish to become a member too, please click here.   Veel plezier!

De 7e generatie  van Jacob Dirk Hendrikse (Japik) van der Ven ; j.m. geboortig binnen de heerl: Dinther,
quartier Maesland, Meijerij van 's Hertogenbosh
die op 20-08-1747 in Naaldwijk is getrouwd met  Annetje HuijbertsWijdeman(s) is vooralsnog de stam vader van de familie. Zoeken naar zijn geboortedatum, zijn ouders en eventuele zusters en broers heeft (behoudens zijn broer Jan Dirksz van der Ven die op 30-11-1759 te Monster is getrouwd met Lena Aartse van Gogh) geen resultaat opgeleverd. Wel is een naamgenoot van hem gevonden t.w. Dirck Handerickx van der Ven,  j.m van Boxtel die op 15 september 1669 is getrouwd met Mariken Handerick, j.d. van Boxtel  ook van dit echtpaar zijn geen nadere gegevens gevonden.
Gezien de tot op de letter gelijk gespelde voor- en achternamen lijkt het zeer waarschijnlijk dat wij hier te maken hebben met een (over)grootvader en kleinzoon.Wie mij informatie kan verstrekken aangaande bovenstaande voorouders verzoek ik mij te contacten! 

Mein Name ist  Ted van der Ven und ich bin am 12. Februar 2011  begonnen mit dieser Site. Allererst eine Mitteilung:  Mitglieder von der Webseite können auf der Seite nichts verändern . Natürlich ist es möglich etwas zu verändern, wenn etwas nicht stimmt, das ist kein Problem. Einfach eine Mail zu mir und ich verändere es nachdem ich es nochmals kontrolliert habe. Diese Site mache ich mit Hilfe von Myheritage.com. Es ist ein tolles System, das es Menschen wie Sie und Ich möglich macht eine Privat Site zu machen für  die Familie, einen Stammbaum  zu bauen und  dabei Familienfotos zu teilen. Wenn Sie noch Anmerkungen haben oder einen Kommentar geben wollen über die Site klicken sie dann hier um mit mir in Kontakt zu kommen. Namen, Geburts- oder Sterbedaten, alte Fotos aus einem Schuhkarton vom Speicher, alles ist willkommen, wenn ich es auf meiner Site publik machen darf. Dieser Stammbaum ist auf der Site online publik. Viel Spaß!

Oproep!!

Lieve familie en vrienden, zegt het voort zegt het voort, vertel het uw kinderen kleinkinderen, neven, nichten geef ze het e-mail adres van deze site met de mededeling dat aanvullingen waar nu nog data ontbreekt van harte welkom is en deze binnen gaan stromen. Het zou toch mooi zijn een compleet beeld te krijgen?

Hartelijk dank voor uw moeite.

 


Go to family tree
Family news
Yesterday
A site member joined another family site: Smits Web Site
Aug 27, 2014
A site member published a new version of the Nieuw van der Ven web stamboom 19-01-2012 family tree from the Family Tree Builder
A site member updated the details of Maria Verra in family tree Nieuw van der Ven web stamboom 19-01-2012
Aug 25, 2014
A site member joined another family site: crawford Web Site
A site member updated the details of Jacobus Hillenaar and Cornelis Bethlehem in family tree Nieuw van der Ven web stamboom 19-01-2012
A site member joined another family site: Zwaans Web Site
Aug 24, 2014
A site member published a new version of the Nieuw van der Ven web stamboom 19-01-2012 family tree from the Family Tree Builder
 
View older news
News articles
Other:Loosduinen
Posted by: Ted van der Ven on Mar 5 2012 16:13

Loosduinen is een stadsdeel van Den Haag en een voormalig Westlands tuindersdorp dat door de stad Den Haag is geannexeerd. De oude kern is nog goed herkenbaar. Loosduinen heeft een oppervlakte van 13 km², ruim 22.500 huizen en ruim 47.500 inwoners (2003).

Geschiedenis

De naam duikt voor het eerst op in 1186 als de latere graafDirk VII trouwt met Aleid van Kleef in de 'villa' Losdun. Evenals Den Haag is het oude dorp Loosduinen ontstaan op een strandwal, waar tegen het einde van de twaalfde eeuw een ‘villa’ (boerderij) werd gesticht door graaf Floris III. In die jaren is er sprake van ‘Losdun’. Floris IV, dezelfde die een aanvang maakte met de bouw van het Binnenhof, stichtte omstreeks 1230 in Loosduinen een Cisterciënzernonnenklooster, waarvan de huidige abdijkerk, Willem-III-straat 40, een overblijfsel is. In 1249 laat zijn zoon graaf Willem II van Holland in Eik en Duinen een kapel bouwen ter nagedachtenis aan zijn overleden vader. Na 1276 krijgt het dorp enige status als bedevaartsoord vanwege het 'wonder van Loosduinen': in dat jaar zou gravin Margaretha van Henneberg 364 kinderen gebaard hebben.

Loosduinen was van 1811 tot 1923 een zelfstandige gemeente. Het tegenwoordige stadsdeel Loosduinen is veel kleiner dan het dorp en bestaat hoofdzakelijk uit woonwijken die in de laatste drie decennia op voormalige tuinderijen zijn gebouwd. Daarnaast is er een groot psychiatrisch ziekenhuiscomplex met een parkachtige aanleg, Bloemendaal, bestaande uit villa's en paviljoens (Huis Oud-Rozenburg) gebouwd rondom een achttiende-eeuws landhuis. Aan de zeekant van het stadsdeel ligt de badplaats Kijkduin in een aantrekkelijk duinlandschap

Naam

De naam Loosduinen komt van de benaming 'loze duinen'. Het oorspronkelijke dorpje lag in een duingebied dat door natuurlijke landaanwas landinwaarts kwam te liggen. Deze duinen speelden zodoende geen rol meer als zeewering en waren dus 'loos'.

De bijnaam van de vroegere bewoners was "Peenbuiker", mogelijk omdat er in dit tuinbouwgebied veel penen werd verbouwd. Het verhaal gaat dat, doordat er zoveel peen werd verbouwd, de tuinders hun penen in de slootjes schoonmaakten om mooiere penen te hebben dan de concurrentie en dus meer te kunnen verkopen. Om de penen te kunnen wassen lagen de tuinders op hun buik naast de slootjes waardoor hun buik vaak onder de modder zat. vandaar de naam peenbuiker.

De wijk Loosduinen is onderdeel van het gelijknamige stadsdeel Loosduinen in Den HaagNederland.

De voormalige gemeente Loosduinen met daarin het dorp Loosduinen en zijn eigen badplaats Kijkduin is in 1923 geannexeerd door de gemeente Den Haag.

De kern van Loosduinen is te vinden rond de Loosduinse Hoofdstraat en de Oude Haagweg en stamt nog van voor de annexatie. In de jaren twintig zijn nog twee uitbreidingswijken voltooid, waarna tot 1960 weinig is bijgebouwd. Hierna is het gebied tussen Leyweg en Lozerlaan in fases volgebouwd. De grootste uitbreiding was de bouw van Houtwijk rond 1980. In de jaren zeventig werd ook een winkelcentrum gebouwd, waarbij het doorgaande verkeer uit het Loosduinse centrum werd geweerd.

0 Comments|3 Views|View full article
Genealogy:Waar komt de achternaam Saur vandaan?
Posted by: Ted van der Ven on Jan 31 2012 15:36

Recorded in the spellings of Desaur, Dessaur, Saur, Sor, with diminutives Saurel, Sorel, Sorrel, Saurin, and others, this is a French surname also recorded in England for nearly one thousand years. It was originally a personal name of endearment perhaps for a child with red hair, and later a medieval nickname for such a person. It derives from the Norman French word "sor", meaning chestnut. The name, as a baptismal name, was probably introduced to England by the Normans after the famous Conquest of England in 1066. In France it is said that the name originates from the south or south west of the county, but unfortunately early recordings in France predating the famous Revolution of 1792 are rare, as most were deliberately destroyed during this period. In England the oposite applies with early examples dating back to the 12th century. These include Thomas Sorel in the pipe rolls of the county of Norfolk in 1175, and that of William Sarel in the records of the Knight Templars (Crusaders) in Hertfordshire in 1185. French examples do include Johannes Saur of Ebersheim, Bas-Rhin, on April 12th 1663, whilst Jacques Saurin was a Huguenot refugee who fled the protestant persecution in France, and is recorded in 1720 at the French church in London known as "La Savoie". The first recorded spelling of the family name anywhere is believed to be that of William Sorell. This was dated 1130, in the "Pipe Rolls" of Suffolk. This was during the reign of King Henry 1st of England , known as "The Lion of Justice", 1100-1135. Throughout the centuries, surnames in every country have continued to "develop" often leading to astonishing variants of the original spelling

0 Comments|%1 Views|View full article
Genealogy:Coone contra Koene
Posted by: Ted van der Ven on Sep 14 2011 04:06

Mogelijk betreft dit een voorouder. Zijn nakomeling Petrus Coone, geboren 29-3-1696 te Sinaai, zou de vader kunnen zijn van onze (voorlopige) stamvader Andreas Koene, 1732, Oude Tonge. Deze heeft bij zijn huwelijk met Geertruij Jansen de Bruijn in 1756 de aantekening 'jongeman van Sinaai'. Dat zou er op kunnen wijzen, dat hij in Sinaai geboren is. Omdat de oudste zoon uit het tweede huwelijk van Andreas Koene Pieter heet, zou de vader van Andreas wel eens Petrus kunnen zijn. Vandaar de suggestie, dat Petrus Coone deze persoon zou kunnen zijn. Het blijft een veronderstelling.

2 Comments|7 Views|View full article
Local news:Duivelsjager van Koewacht nam de strop niet serieus.
Posted by: Ted van der Ven on June 13 2011 14:41

Duivelsjager van Koewacht nam de strop niet serieus.

Laatste gehangene in Zeeland.

Jean Baptiste de Loeil stond op het punt te vluchten toen justitie hem 7 november 1848 in de kraag vatte. Ze troffen hem aan bij de haard van zijn woning te Koewacht, gekleed in een dikke overjas, hoed op het hoofd. Hij had een aanstelling als heelkundige en verloskundige op zak, evenals 240 gulden en enkele sieraden. Over het einde van de Duivelsjager van Koewacht: de laatste misdadiger in Zeeland die de doodstraf onderging. Gehangen omdat hij zijn vrouw opsloot, uithongerde en tenslotte doodknuppelde. “Geen man die beter voor zijn echtgenote zorgde als ik”, beweerde hij. Maar niemand die hem geloofde. Ook zijn advocaten niet.

De Loeil bood geen verzet bij zijn aanhouding. De kist met het lijk van de 57 jarige Felicita van Peteghem stond op de benedenverdieping. Gereed voor de begrafenis alsof het een natuurlijke dood betrof.. Maar meer onder de indruk waren de gerechtsdienaren van wat zij op zolder zagen. Daar had het slachtoffer vele dagen van haar leven gesleten, vrijwel naakt en vastgeklonken aan een ketting. Het verblijf zag er verschrikkelijk uit, schreven twee Middelburgers in een verslag van de moordzaak. “Verschimmelde drekstoffen op den vloer zelven, eenen aarden pan vol met uitwerpselen, verscheidene stoelen omver geworpen, een oud geheel versleten bed, hopen met snijbonen en peulen, pluimen en vodden en de afzigstelijke rommelarij; ziedaar de stoffering van haar nachtverblijf”.

Dat de heelmeester nu arrestant was, dankte hij aan zijn kinderen. Met name Adol de Loeil, bakker te Brussel, had justitie tot actie gemaand. Hij trok de natuurlijke dood van zijn moeder in twijfel en eiste lijkschouwing. De rechterlijke macht die vanwege “openbaar gerucht” al onraad rook, vertrok direct naar Koewacht. De lijkschouwers beperkten zich niet tot een nuchtere constatering van de doodsoorzaak. “Reeds het eerste gezigt van het lijk vervulde ons met ontzetting en medelijden”, zo valt in het officiële rapport te lezen. In onbedekte termen wordt verhaald over een uitgemergeld lichaam bezaaid met levend ongedierte. De ogen vrijwel weggezonken in diepe kassen. Overal sporen van geweld. Dat de 58 jarige heelmeester zijn vrouw op gruwelijke wijze had doodgemarteld, daaraan twijfelde niemand meer. De galg in Middelburg kon in gereedheid worden gebracht.

Bekwame arts.

En het leek zo’n keurig heerschap uit gegoede kringen. Jean Baptiste de Loeil werd 13 februari 1790 geboren te Exaerde, uit deftige en fatsoenlijke ouders. Na een “aan eene zijnen stand passende opvoeding” vertrok hij naar Gent om geneeskunde te studeren. Zes jaar ijverig blokken leverden hem de begeerde bul op. Hij begon een praktijk op het Zeeuwse platteland en maakte binnen korte tijd naam als bekwaam arts. Ook zijn huwelijk met Van Peteghem in 1814 was er één op stand. Zij kwam uit een deftig, oud Vlaams geslacht. Het paar kreeg vele kinderen.

Hoe De Loeil kon uitgroeien tot een monster, bleek tijdens de rechtszaak minder relevant. Anders dan tegenwoordig gebruik is, riep niemand de hulp in van psychiaters. Wat telde was slechts het bewijs van de misdaad. De advocaten van De Loeil hielden het erop dat hun cliënt een notoire dronkaard was die zijn vrouw martelde en doodde uit wraak. Want zij was het die hem probeerde te weerhouden van zijn wellustig leven. De heelmeester zou zelfs overspel hebben geplaagd in het bijzijn van zijn echtgenote. En hoewel bij onvoldoende bewijs een vervolging daarvoor achterwege bleef, werd hij ook verdacht van incest met één van zijn dochters.

De Loeil ontkende alles. Beweerde het slachtoffer te zijn van een leugenachtige samenzwering. Niemand immers die zoveel van zijn vrouw hield als hij. Dat zijn wederhelft op zolder had vastgelegen aan een ketting was voor haar eigen bestwil. In haar krankzinnigheid zou ze zich buiten huis maar in het ongeluk storten. Ook voor die bult op het hoofd van het slachtoffer had De Loeil een verklaring. Hij had haar horen vallen “gelijk met een hamer op den grond geslagen werd”.

Alle “treffelijke menschen” die hem kenden, wisten hoe zachtmoedig en vredelievend hij was, beweerde de beschuldigde. Zijn advocaten vonden echter niemand die dat wilde bevestigen. Daarentegen waren er 42 getuigen tegen De Loeil. Zij deden hun verhaal voor het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland. De zitting in Middelburg begon 29 september 1849. De belangstelling was zo groot dat het hofgebouw de -nieuwsgierige volksmassa- niet kon herbergen.

De getuigen lieten geen spaan heel van De Loeil. Zij vertelden hoe hij niet alleen zijn vrouw, maar ook zijn kinderen had mishandeld. Hoe zijn echtgenote om eten moest bedelen omdat ze van manlief niets kreeg. Eén getuige had Felicita van Peteghem naakt uit het zolderraam zien hangen om kersen te plukken van een boom. De pitten gooiden zij in de tuin van de buren opdat haar man de voedselbron niet zou ontdekken. De kinderen kregen hun moeder niet meer te zien. Anderhalf jaar zat zij opgesloten in de kelderkamer van de echtelijke woning. Daarna diende de zolder meer dan een jaar als kerker. De Loeil deed zij bijnaam “Duiveljager van Koewacht” eer aan. “Z’en es niet meer waerd, us van de loaizen (luizen) opgeten te werden”, zou hij eens tegen een getuige hebben gezegd.

Toneelspel.

De Loeil hoorde met “koude onverschilligheid” de doodstraf tegen zich eisen. Hij dacht dat het een toneelspel betrof, bedoeld om hem te overreden tot een bekentenis. De heelmeester rekende op hoogstens drie jaar celstraf waarna hij zou emigreren naar de Verenigde Staten. Maar op zijn twee advocaten hoefde De Loeil zijn hoop niet te vestigen. Mr.J.Snijder begon zijn pleidooi met een soort verontschuldiging. Hij en zijn collega mr.P.J.G. van Diggelen waren helaas gedwongen de ontkenning van de verdachte te volgen. Vervolgens trokken zij de waarde van de getuigenissen in twijfel. Elk spoor van hard bewijs zou ontbreken.

Voorzitter van de rechtbank Mr.S.de Wind was niet onder de indruk. De Loeil werd 25 oktober 1849 veroordeeld tot de strop en betaling van de proceskosten. De veroordeelde bleef er kalm onder. Eenmaal terug in zijn Middelburgse cel wreef hij zich in de handen. “Den Heere zij geleufd en gebenedijd”, riep hij. Om vervolgens te informeren hoe het met het eten stond.

Nog had de heelmeester de hoop niet opgegeven. Zijn advocaten richtten namens hem een gratieverzoek aan de koning. Het was een schuldbelijdenis waarin de aanzwellende discussie over afschaffing van de doodstraf werd uitgebuit. “Eene straf, waardoor het levenslicht van eenen mensch door eenen mensch wordt uitgedoofd. Eene straf daarenboven, die welligt menigen daardoor de gelegenheid benomen heeft aftegaan van het pad des kwaads en een vernieuwd leven te leiden”.

Doodsbleek.

Bij het vernemen van de afwijzing reageerde De Loeil hevig geschokt. Zijn gezicht kleurde beurtelings doodsbleek en bloedrood. Hij betuigde opnieuw zijn onschuld. Het mocht niet meer baten. Zijn laatste gang maakte De Loeil maandag 11 februari 1850. Om half twaalf werd hij geboeid naar de strafplaats gevoerd. Een detachement infanterie en cavalerie hield de grote menigte op afstand. De advocaten zagen een man die in een paar uur twintig jaar was verouderd. De Loeil oogde dodelijk bleek, had ingevallen kaken en bleek sterk vermagerd. Steunend op de arm van zijn geestelijk verzorger waggelde de veroordeelde naar het schavot. En beklom onder doodse stilte de treden van de ladder. “God ontferm U zijner!”, mompelde de massa nadat het touw strak trok.

Ruim dertig jaar later werd de doodstraf afgeschaft. Was de laatste terechtstelling in Nederland in oktober 1860, heelmeester De Loeil maakte geschiedenis als laatste gehangene van Zeeland. Ook destijds stemde zijn executie niet iedereen vrolijk. dr.J.C.de Man, een arts die De Loeil tijdens zijn gevangenschap behandelde, toonde medelijden. Hij verhaalde hoe twee Middelburgse heren voor een prik de hand wisten te leggen op de schedel van de dode. De Man zag het doodshoofd later terug in het kabinet van een hoogleraar te Amsterdam. En constateerde ook dat het hout van het schavot later is gebruikt voor de bouw van een muziektent.

Het recht had echter zijn loop genomen. Voorzitter De Wind van het Middelburgse gerechtshof hoopte dat het volk er lering uit trok. Zijn moraliserende toespraak tot De Loeil was eigenlijk aan iedereen gericht. “Dat ieder die niet zo in zijn huis handelt als hij wel moest zich diep inprente dat het kwaad steeds tot erger geleidt, en eindelijk, bij het gestadig rondwentelen van het rad der boosheid, het slagtoffer en den bewerker in eenen poel van ellende wegsleept. Een ieder spiegele zich aan dezen man des doods. Die staat, zie toe, dat hij niet valle!”

Bronnen: Arrest in zake van Jean Baptiste De Loeil, (Middelburg 1849), Mr.P.J.G. van Diggelen en Mr.J.Snijder, Rechtsgeding tegen Jean Baptiste De Loeil, (Middelburg 1850). Schoute, het wetenschappelijk leven van dr.J.C.de Man. Vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, (Middelburg 1915). Schrijver Marten de Jongh-PZC

0 Comments|1 View|View full article
Family memories:Piet Koenen en zijn vader Hans Koene
Posted by: Ted van der Ven on June 10 2011 07:47

Door Cor Koene:

De vader van Piet Koene, Hans Koene, onze overgrootvader, was een klein boertje. Hij woonde aan de Galathesedijk – thans Achthuizensedijk – in Achthuizen, een kerkdorpje dat vroeger gedeeltelijk bij de gemeente Ooltgensplaat hoorde, voor een ander deel bij de gemeente Den Bommel.

Waarschijnlijk zijn de kinderen van Hans Koene en Betje Jacobs, onze overgrootmoeder, in dat boerderijtje geboren. Het boerderijtje staat er nog – ongeveer tegenover de molen aan de andere kant van de dijk. Er staan daar twee boerderijtjes, en één van die twee is het. Ik vergeet telkens welke van de twee. Maar dat zal ik nog eens aan een oudere neef van me vragen. Mijn opa, Kees Koene, woonde begin 20e eeuw in een huisje op de Hoek, achter een café. Daar zijn alle kinderen geboren. In 1924 is hij naar het Lesje verhuisd, een huisje met een stukje grond erbij.

De grote boerderij, waar Betje Jacobs geboren is, is er ook nog. Hij staat aan de Bommelsedijk, daar waar je het dorpje verlaat richting Zuidzijde. Betje was een dochter van een grote boer. Haar familie was niet zo blij, toen ze verkering kreeg met Hans. Hans was niet bepaald een goede boer. Hij zat het liefst in het café van zijn vader. Eind 1896 is hij dan ook failliet gegaan. In april 1897 is hij met zijn gezin naar Delft gegaan. Betje heeft het daar niet zo naar haar zin gehad. Ze had heimwee naar het eiland. In 1899 is ze overleden. Hans kon zich in Delft goed vermaken. Rens, zijn oudste zoon, heeft me verteld dat hij regelmatig met zijn vader en zijn broer Piet cafeetjes bezocht, waarna ze dan niet altijd op tijd thuis kwamen om te eten.

Mijn opa heeft ook een paar jaar in Delft gewoond, maar is teruggegaan naar Achthuizen, als enige van het gezin. Zijn zus Adriana woonde in Rotterdam, en zijn zus Kee, dacht ik, in Schiedam, maar dat weet ik niet zeker. Bij Adriana ben ik wel eens op bezoek geweest. Ze was toen dik in de zeventig, maar nog altijd een knappe verschijning.

Naar Toon en zijn nakomelingen ben ik nog steeds aan het zoeken. Hij was ‘het zwarte schaap’ in de familie, omdat hij getrouwd was met een ‘andersdenkende’ vrouw, en dat was in die tijd een reden om iemand links te laten liggen.

Mijn opa had weinig of geen contact meer met hem. Van familie in Delft heb ik begrepen, dat zij met Toon meer contact hadden, maar elkaar overlopen hebben ze zeker niet.

Van Rens heb ik een aantal jaren geleden een kleinzoon ontmoet, André. Ik kwam langs zijn huis, waar hij buiten zijn straatje aan het vegen was. We hebben wat met elkaar gepraat. Hij wist niet veel van zijn neven en nichten in Delft. Ik kon hem meer vertellen dan hij mij. Zijn vader was, meen ik, kapper geweest. In Harderwijk, waar ik regelmatig bij mijn dochter op bezoek kom, heb ik een achterkleindochter van Rens ontmoet, Astrid. Zij is ook actief bezig geweest met de stamboom.

0 Comments|1 View|View full article
Family memories:Herinneringen Cornelis Mattheus Koene 27-11-1939
Posted by: Ted van der Ven on June 8 2011 04:46

Geplaatst met toestemming van Cor!

Herinneringen Cornelis Mattheus Koene

Ik ben op 27 november 1939 tussen tien en elf uur 's avonds geboren in het huisje van mijn grootmoeder in de Langstraat, een buurtschap onder Achthuizen, gemeente Ooltgensplaat. Het huisje staat er nog steeds.

Een andere foto ervan is te zien in een boekje over Achthuizen in vroeger tijden. Na mijn grootouders werd het huisje bewoond door oom Jan Stoop en tante Dien Vervloet en hun kinderen. Later werd het aan vreemden verkocht.

Het was een kille en winderige avond, die avond van mijn geboorte. De bevalling was voor mijn moeder zwaar en pijnlijk, maar ik kwam gelukkig gezond ter wereld, ruim negen pond. Mijn grootmoeder en mijn vader schrokken van mijn toegetakeld en bulterig kopje, maar na een paar uur was dat weer bijgetrokken. Alle aandacht ging ook uit naar mijn moeder, maar zij herstelde snel. De bevalling werd geleid door dokter Kramers uit Ooltgensplaat. Hij werd geassisteerd door zuster Jansen uit Achthuizen. Ik kreeg van mijn grootmoeder de bijnaam Kokkejas, waarom weet ik niet.

Als kind had ik een hekel aan die naam, maar juist daarom werd ik er vaak mee geplaagd. Op het moment van mijn geboorte woonden mijn ouders in bij mijn grootmoeder. Ook oom Lier, de jongere broer van mijn moeder, was nog thuis. Hij sliep op het kleine zoldertje. Elke morgen werd hij met behulp van een oude bel boven zijn bed door mijn grootmoeder gewekt. Dan was het voor hem tijd om naar zijn werk te gaan, want er moest natuurlijk wel brood op de plank komen.

Hoofdstuk 2


Mijn grootmoeder was in 1934 op 54-jarige leeftijd weduwe geworden. Mijn grootvader bezweek in dat jaar aan de gevolgen van een verwaarloosde kaakontsteking. Het huisje had mijn grootmoeder geërfd van haar vader, Hubertus Huibrechtse, die in de buurt Huubje werd genoemd. Haar moeder, Maria Norbart, stierf toen mijn grootmoeder nog een klein kind was. Kaatje - zo heette mijn grootmoeder - is door haar vader opgevoed. Toen mijn grootmoeder trouwde, bleef Huubje bij zijn dochter en schoonzoon inwonen. Ondanks de grote verschillen in karakter - mijn opa Thijs was druk en opvliegend, Huubje daarentegen altijd rustig en bedaard - konden de mannen goed met elkaar overweg. In 1907 waren mijn grootouders getrouwd, ruim vier jaar later, in 1911, stierf mijn overgrootvader. Voor mijn grootmoeder was zijn dood een smartelijk verlies. 'Hij was zowel een vader als een moeder voor mij.' Ik heb het haar, jaren later, vaak horen zeggen. Huubje en Maria kregen tijdens hun kortstondig huwelijk twee kinderen. Het oudste, een zoontje, Bert, was lichamelijk en geestelijk gehandicapt. Hij werd elf jaar.

Het huisje van mijn grootouders waarvan het achterste gedeelte was omgebouwd tot winkeltje, lag aan wat de plaatselijke bevolking 'de onderberm' noemde, een onverhard pad onderlangs de dijk. Het protestantse deel van de bevolking van de Langstraat had een eigen kerk en school. De katholieken, die in het gehuchtje in de minderheid waren, gingen in Achthuizen, ruim een kilometer verderop, naar de kerk. De katholieke kinderen bezochten daar ook de school, een nog vrij nieuw gebouw. De oude school in het klooster was ongeschikt verklaard voor het geven van onderwijs. Ik herinner me dat klooster als een donker en somber gebouw. Eerst woonden er nonnen, later broeders. In het klooster was nog wel de bewaarschool ondergebracht. Die lag op de eerste verdieping. We moesten een brede trap op om er te komen. Tijdens de oorlogsjaren zwaaiden de nonnen daar de scepter. Behalve die trap en de nonnen herinner ik me de kinderen van tante Dien, Annie, Katrien, Rinus, Thijs, Bas, Willie en Rietje, met wie ik 's morgens van de Langstraat naar Achthuizen liep, en 's middags weer terug. Zij woonden langs een smal landweggetje, in een huis behorend tot een blokje van drie, dat de naam Vluchtheuvel droeg.

Hoofdstuk 3


Na de oorlog namen de broeders het onderwijs van de nonnen over. Hun opleiding hadden ze genoten in een klooster in Baarle-Nassau. Ze leefden en werkten volgens de door Saint Jean Baptiste de la Salle opgestelde regels. De broeders droegen zwarte togen die aan de voorkant dichtgemaakt waren met een hele rits kleine knoopjes. Verder hadden ze op de borst, vlak onder hun kin, een witte bef. Ze waren bij de bevolking heel wat populairder dan de nonnen. Ze hadden weinig problemen met de schooljeugd, en als die er waren, losten ze die uitstekend op, beter dan daarvoor de nonnen die bij de bestraffing vaak de veel te strenge kapelaan op de pastorie inschakelden. Een van de broeders, Amandus, was zeer geliefd bij de jeugd. Dagelijks was hij met de jongens aan het voetballen, niet allleen in zijn vrije tijd, maar ook tijdens de gymuurtjes op school. De plaatselijke voetbalclub F.I.O.S. was in 1938 opgericht, maar pas na 1945 werd de voetbalsport in Achthuizen echt populair. En dat was vooral zijn verdienste. Hij zorgde ervoor dat we elk jaar een sterk schoolelftal hadden. Dat werd dan ook regelmatig kampioen van het eiland. Voor het spelen van uitwedstrijden reden we op de fiets naar Oude Tonge, Ooltgensplaat, Den Bommel, Nieuwe Tonge, Stad aan het Haringvliet, Middelharnis en Sommelsdijk. Onze grootste concurrent was het elftal van de openbare school in Sommelsdijk. Dat elftal werd getraind door een onderwijzer die Taale heette. Deze was keeper van het eerste elftal van Flakkee, in die tijd het sterkste voetbalteam op het eiland. In 1952 mocht ik samen met mijn broer Thijs in het elftal van onze school meedoen. We werden ook dat jaar kampioen. We staan met ons team op een foto, gepubliceerd in het boekje over Achthuizen. Onze aanvoerder Piet Huibrechtse houdt trots de gewonnen beker vast. Broeder Amandus speelde op de training altijd mee. Hij was een klein dik mannetje met een volledig kaal hoofd. Als hij achter je aankwam, kon je dat horen aan de toog die hij droeg. Die maakte dan zo'n apart roetsend geluid. Ik zorgde altijd bliksemsnel dat ik de bal afspeelde, als ik hem hoorde komen, want hij ging er altijd vrij stevig in.

Hoofdstuk 4


Naast het huisje van mijn grootmoeder was de wagenmakerij gevestigd van Marien Wouters. Hij was vrijgezel en woonde aanvankelijk met een zuster, later met twee zusters, in het aan de wagenmakerij vastgebouwde huis. Marien was een klein mannetje, maar een echte vakman. Met grote vaardigheid bouwde hij grote landbouwkarren en andere houten voertuigen, en iedereen verbaasde zich over het gemak waarmee hij met die zware dingen omging. Het aanbrengen van wielen aan de karren leek voor hem een peuleschil. Als hij aan het werk was, had hij altijd veel bekijks. In zijn werkplaats rook het lekker naar zaagsel. Wij speelden er met restjes hout en oude gereedschappen. Marien kon goed met kinderen overweg, en wij, de kinderen van tante Dien en ik, mochten van hem dan ook gerust in de werkplaats komen. Als hij hoepels aanbracht om de wielen en er smeedwerk aan te pas kwam, stuurde hij ons resoluut naar buiten. 'Ik wil hier geen ongelukken,' zei hij dan. 'Straks mogen jullie er weer in.' Na zijn actieve werkperiode bleef Marien geïnteresseerd in het welzijn van ons gezin. Op zaterdagmiddag kwam hij vanuit de Langstraat regelmatig lopend naar Zuidzijde om ons te bezoeken, en dat was toch ruim vier kilometer. Fietsen kon hij niet. Een nichtje van me, Rietje Stoop, een dochter van tante Dien, erfde later het huis en de wagenmakerij van Marien Wouters. Zij trouwde met mijn neef van vaderszijde, Hans Koene, een zoon van oom Zeger. Zij vestigden in de oude wagenmakerij een bloembollenbedrijf.

Vlak voor het huisje van mijn grootmoeder liep een kort pad naar een drassig weidegebied, voormalig buitendijks land. Na vijftig meter kon je niet verder, want het was afgesloten door een hek. Naast het pad links liep een vieze sloot, waarin het water altijd zwart was. We kregen als we buiten speelden van opoe of moeder altijd de waarschuwing mee dat we niet te dicht bij die sloot moesten komen: 'Daar zit de duivel in.'

Toen ik geboren werd, had het winkeltje zijn eigenlijke bestemming al lang niet meer. Er was een slaapkamer van gemaakt. Mijn opa was na zijn afkeuring als landarbeider een handeltje in voedingsmiddelen en allerhande andere artikelen begonnen. Met een hit en kar, gefinancierd door de molenaar uit Achthuizen, Van Reijen, ging hij dagelijks zijn klanten langs. Mijn opoe verkocht haar spullen in het winkeltje. Naast het winkeltje stond ook nog een schuurtje, een primitief aanbouwtje, waar een paar vaten met petroleum waren opgeslagen. De petroleum werd in kleine hoeveelheden aan de klanten verkocht. Ze kwamen het met een open ijzeren kannetje ophalen. In 1934 toen mijn opa stierf was het met de handel en de winkel gedaan. Mijn ooms Lier en Thijs waren te jong om het over te nemen. Het overlijden van mijn opa op slechts 54-jarige leeftijd was voor het gezin een dramatische gebeurtenis. Mijn moeder was nog maar 19 jaar. Samen met haar jongere broers en haar moeder werd het leven in het gezin weer opgepakt. Mijn moeder was dienstmeisje bij een boer, haar broers werkten in de landbouw. Het land verkeerde in een economische crisis, en er waren regelmatig perioden van werkloosheid. Lier en Thijs waren soms maanden thuis. Toch wist het gezin zich goed te redden, en echte armoede werd dan ook niet geleden. Mijn grootmoeder was zuinig, maakte en verstelde zelf kleren, en de jongens teelden groenten en aardappels in het tuintje voor het huis. Oom Lier wist zelfs nog wat te sparen en zich een grammofoon aan te schaffen, zo'n ouderwets ding met een grote hoorn. We genoten van de liedjes van Louis en Heintje Davids, Lou Bandy, Jack van Tol en Koos Speenhoff.

De andere kinderen van mijn grootmoeder, Mijn, Bert en Dien, waren getrouwd. Marie werkte in Rotterdam bij een ver familielid in de huishouding. Opa had altijd goed voor zijn gezin weten te zorgen, en dat was in de jaren twintig en dertig een hele toer. De armoede onder de arbeidersgezinnen was groot en de verdiensten waren gering. Ondanks zijn handicap, een versleten rug, wist opa steeds voor voldoende inkomsten en eten te zorgen. Mijn moeder heeft het ons later vaak verteld: 'We kwamen nooit iets tekort.' Een ernstige ontsteking van een kies, waarbij waarschijnlijk bloedvergiftiging is opgetreden, werd hem noodlottig. Hij stierf zonder erg lang ziek te zijn geweest. In de omgang was hij niet altijd even gemakkelijk. Hij was driftig van aard, en als hij onrecht bespeurde, liet hij dat niet onbesproken. Hij stapte er direct op af. Voor zijn gezin ging hij door het vuur. Als mijn vader en moeder soms over de armoedige jaren dertig spraken, verwonderde mijn moeder zich altijd over de armoede bij hem thuis. Mijn opa Koene was eigenlijk een boerenzoon, maar door allerlei omstandigheden was mijn overgrootvader Hans Koene zijn land en boerderijtje kwijtgeraakt. In 1897 was hij met zijn vrouw Betje en de kinderen naar Delft verhuisd om daar in de industrie werk te vinden voor hemzelf en de al grote kinderen. Alleen mijn opa was na een paar jaar teruggegaan naar Flakkee. Het feit dat daar zijn latere vrouw Hendrientje woonde speelde bij die terugkeer natuurlijk een grote rol. Terwijl oma's zus Pietje, die met opa's broer Piet was getrouwd, zich in Delft vestigde, ging mijn oma Hendrientje met haar man in Achthuizen wonen, aanvankelijk op de Hoek, achter een café dat ooit van opa's grootvader Kees was geweest. Mijn opa werd noodgedwongen landarbeider. Daarnaast bezat hij een stukje land, Bosland. Het lag onder Ooltgensplaat. Later zou mijn oom Zeger dit stukje land overnemen. Ook om opa's huis op het Lesje, waar hij later ging wonen, had hij een stukje grond.

Die huisjes met grond waren uitgegeven in het kader van de bevordering van kleingrondbezit. Ook de oudste broer van mijn moeder, Bert, slaagde erin zo'n huisje te bemachtigen. Hij woonde met zijn vrouw Tona schuin tegenover opa. Mijn grootouders bleven ondanks alle inspanningen van opa arm, zo arm dat mijn vader en zijn broertjes toen ze nog klein waren vogeltjes vingen, deze slachtten en boven een vuurtje braadden om af en toe wat extra te eten te hebben.

Hoofdstuk 5


Ik ging vanaf mijn achtste jaar regelmatig naar opa en oma Koene, meestal na school. Op maandagmiddag controleerde opa, of ik op de zondag daarvoor goed naar de sportuitslagen op de radio had geluisterd. De sportprogramma's van Tom Schreurs op de AVRO en van Bob Spaak op de VARA waren bij opa en mij erg populair, en werden dan ook door ons nooit overgeslagen. Op een foutje in de uitslagen van de grote wedstrijden kon opa mij vrijwel nooit betrappen. Daarom stelde hij mij ook wel eens een vraag over de kleinere clubjes. De Volkskrant van die dag had hij daarbij voor zich liggen. 'Wat heeft Borne gedaan tegen Alcides?' Met hoeveel heeft Rigtersbleek gewonnen?' Als ik op die vragen het antwoord schuldig bleef, zag ik hem lachen. Dan trok ik de krant bij hem weg, en stelde hem op mijn beurt een vraag die hij niet kon beantwoorden.

Behalve plagerig was opa ook een beetje krenterig. Als er soms 's middags na schooltijd een film was van het Rode Kruis in het Patronaatsgebouw, was het voor ons niet te doen eerst de ruim twee kilometer naar huis te lopen om het entreegeld op te halen. We vroegen het benodigde kwartje aan opa. Hij trok een oud portemonneetje te voorschijn, plukte er een muntje uit en deed dan net, of het zijn laatste kwartje was. 'Nou, vooruit dan, maar morgen teruggeven.'

Opa liet ons altijd met enige trots zien wat hij zo allemaal rond het huis verbouwde, uien, witlof, bieten, graan, aardappels, en ook wees hij ons op de bloemetjes langs het huis, op de Afrikaantjes langs het paadje naar achter, op de asters bij de schuur. In de zomer gingen we vrijwel elke zaterdagavond met onze ouders naar hen toe. Opa en opoe zaten altijd in de keuken achter het huis. Als we door opoe geknuffeld en bekeken waren - 'O, wat word je toch al groot!' - , gingen we naar buiten en speelden we rond het huis. Af en toe kwam opa kijken, of we niets plat trapten. In de woonkamer voor kwamen we eigenlijk alleen 's winters. Op de schoorsteen stond een foto van oom Hans als militair. Hij leek, gekleed in uniform, heel erg groot. We waren dan ook allemaal apetrots op deze oom. Omdat oom Hans in feite de kleinste was van de broers Koene, heb ik hem wel eens gevraagd hoe hij op de foto toch zo lang kon zijn. 'Ik was vroeger inderdaad erg lang, maar daarna ben ik gekrompen. Ik krijg van tante Koos niet genoeg te eten.'

Op zondagmorgen na de kerk was het altijd erg druk bij opoe. Dan kwamen de tantes met hun kinderen op bezoek. Opoe had, omdat ze stokdoof was, van de drukte nooit veel last. Ook tante Bet, tante Piet, tante Dien, mijn vader, oom Zeger en oom Piet waren slechthorend. Het was een doofheid, die overging van de ene generatie op de andere. Oma's vader was doof, haar opa ook al. Hoewel ik nog heel jong was, wist ik dat ook ik heel slecht hoorde. Op school kon ik de onderwijzer niet goed verstaan, en soms lachten de kinderen om iets, dat ik niet gehoord had.

Mijn vader en ooms doken op zondag na de kerkdienst meestal direct het café in. Het was hun wekelijkse uitje. Ze zochten daar hun maatjes op om mee te kaarten. Als de tafel vrij was, speelden ze ook een partijtje biljart. Dit alles ging onder het genot van een biertje of een borreltje. Oom Zeger, de oudste broer van mijn vader, kon het in het café altijd lang uithouden. Mijn vader was een goede nummer twee. Oom Hans was meestal op tijd thuis, maar dat had te maken met zijn inwonende schoonvader, met wie kennelijk degelijk rekening moest worden gehouden. Oom Piet was na de oorlog, toen mijn grootouders in Amsterdam geëvacueerd waren, daar achtergebleven en met een Amsterdamse getrouwd. Tante Marie was zeer tegen de zin van haar ouders met Izaak Stoutjesdijk getrouwd en in De Heen, later op Tholen gaan wonen. In Tholen hadden ze een café. Tante Marie stond achter de bar, Izaak was de grootste afnemer. Ze kregen drie kinderen, Tonny, Lia en Kees. Toch was het huwelijk geen succes. Rond 1960 besloot tante Marie haar man te verlaten, en naar Flakkee terug te gaan. Opa en oma waren niet zo enthousiast over deze ontknoping. Ze hadden het wel zien aankomen…Izaak was niet katholiek, en vooral daarom was hij volgens haar ouders geen goede partij voor haar. Het waren echter andere redenen waarom het niet boterde tussen die twee. Tante Marie is later hertrouwd met Kees Wielaard en woont nu samen met hem in Sint Annaland. Tante Bet, tante Piet en tante Dien waren eerder getrouwd dan mijn ouders. Hun oudste kinderen waren ouder dan ik. Tante Bet, getrouwd met oom Hans Brands, had zelfs al volwassen kinderen. Dagelijks zocht opa zijn kinderen op. Vooral bij zijn oudste dochter, tante Bet, kwam hij veel. Zondags ging hij naar het voetballen kijken van zijn kleinzoons, Kees, Geert en Zeger Brands. Kees en Zeger speelden in het eerste elftal van F.I.O.S., Geert in het tweede. Opa was de trouwste supporter van de club, een echte voetballiefhebber. Bij het in gebruik nemen van het voetbalveld in 1938 bij de oprichting van de club mocht hij in de openingswedstrijd de aftrap verrichten. Er is nog een fotootje van deze gebeurtenis: Opa in het zwart met een hoed op, het been opgetild om de bal een dreun te geven…

Weer of geen weer, opa was bij elke wedstrijd. Meestal stond hij in zijn eentje ergens op het veld toe te kijken. Commentaar op het spel of op de spelers heb ik hem op het veld nooit horen leveren. Thuis deed hij dat overigens wel. Zijn broer Piet was een ander type. Als hij vanuit Delft op familiebezoek kwam, ging hij op zondag uiteraard met opa mee naar F.I.O.S. Hij had op het spel veel aan te merken, en liet dat ook rechtstreeks en luidruchtig horen aan de spelers die soms verbaasd keken naar dat mannetje langs de lijn. Aan zijn gezag werd natuurlijk niet getwijfeld. Hij was een doorgewinterde voetbalkenner 'van de overkant', een broer van Kees nog wel. In Delft ging hij altijd bij B.E.C. kijken. Daar speelden zijn zoons Zeger en Rinus. Hij gaf hoog op van hun prestaties. Zeger stond in het doel. Volgens oom Piet was er in Delft geen betere keeper…

Hoofdstuk 6


Na mijn geboorte heb ik samen met mijn ouders nog een hele tijd bij mijn grootmoeder ingewoond. Toen de geboorte van mijn broertje Thijs zich aandiende, verhuisden mijn ouders naar Zuidzijde, maar ik vertoefde mede omdat mijn moeder nog werkte, vaak bij mijn grootmoeder.

Ik was daar als het ware kind aan huis. Toen ik een beetje groter werd sliep ik op het zoldertje naast mijn nog thuis wonende oom Lier. Er was een wereldoorlog gaande, maar ik leefde in een klein, beschut en veilig wereldje. Allereerst was daar mijn moeder en mijn opoe. Zij besteedden de meeste aandacht aan mij, voor mijn gevoel mijn opoe nog meer dan mijn moeder. Dagelijks was ik onder haar hoede en zij verwende mij regelmatig met allerlei lekkere hapjes. Op de achtergrond was mijn vader. Hij was niet zoveel aanwezig, leek het wel. Overdag was hij aan het werk bij de boer, in de avonduren was hij druk met zijn groentetuin en zijn bijverdiensten. Extra-inkomsten konden we goed gebruiken, want in de oorlogsjaren was het bepaald geen vetpot voor de landarbeiders. Met elkaar elkaar rooiden we het echter prima. We kwamen dan ook niets tekort. Ik speelde veel buiten, in de zomer vaak tot het donker werd. Mijn wereld was zo groot als het kleine gehuchtje waar ik woonde. Verder dan Zuidzijde aan de ene kant, verder dan tante Dien en oom Jan op de Vluchtheuvel aan de andere kant kwam ik niet. De Vluchtheuvel, de drie kleine woningen aan het smalle landweggetje, was het toevluchtsoord voor de paartjes die gedwongen waren om te trouwen. Zo gauw er elders een huisje vrijkwam, werd de Vluchtheuvel door zijn bewoners verlaten. Tante Dien was 17 jaar toen ze trouwde. Kort daarna werd haar dochter geboren, Annie.

Ik was al snel een zelfstandig ventje. Als ik soms eens wat laat thuis kwam, maakte men zich dan ook niet direct zorgen. Ik herinner me een avond dat ik met een paar andere kinderen op een glijbaantje had gespeeld, een baantje van assintels, vanaf de dijk naar beneden. Zo zwart als een neger kwam ik thuis. Opoe mopperde niet lang, stopte me in een teil water en boende me schoon.

Oom Lier was een vertrouwde persoon in mijn omgeving. Hij speelde vaak met mij, en soms mocht ik hem helpen bij het verzorgen van de konijnen en de duiven. Bij de duiven mocht ik alleen niet komen, bij de konijnen wel. Door de tralies heen streelde ik hun snuitjes en stak ik stukjes gras, die ze gretig opaten. Soms haalde ik er een uit de kooi en hield die op mijn arm. Ze waren heel tam en liepen soms los door de tuin. 's Avonds ging ik achter op de fiets met oom Lier mee om gras voor de konijnen te snijden. Oom Lier was een druk mannetje. Hoewel hij stapelgek was op zijn moeder, kibbelde hij vaak met haar, vooral over het eten. Dan was het niet lekker, dan te koud, dan te heet, dan weer was het niet op tijd klaar. Eind 1942 stortte vlakbij het dorp een Duits vliegtuig neer. Achterop de fiets bij mijn oom ging ik mee om te kijken. We zagen weinig, want het toestel was geheel in de drassige grond verdwenen. Alleen een klein stukje van de staart was nog zichtbaar. Toen na de oorlog het vliegtuig geborgen werd, zaten de geraamtes van de twee piloten met hun uniformen nog aan in hun stoelen in de cockpit.

Tante Marie trouwde met een schipper uit Rotterdam, André Pols. Ze hadden een paar kleine kinderen, allen jonger dan ik. Soms kwam mijn tante met de kinderen een paar dagen logeren bij mijn opoe. 'Moet dat ventje hier ook zijn?', zei ze op een keer, wijzend op mij. Ze bedoelde het niet kwaad. Ik was haar niet teveel, maar ze vond het allemaal wel wat druk voor haar moeder. Ik had de wenk echter goed in mijn oren geknoopt. Na school ging ik daarom niet meer zoals gebruikelijk met mijn neefjes en nichtjes naar de Langstraat terug, maar liep ik met andere kinderen de andere kant op, naar Zuidzijde, waar mijn ouders woonden. 's Avonds bracht mijn vader mij weer terug naar opoe, maar toen hij naar huis wilde gaan, zette ik een keel op en weigerde ik te blijven. Oom Lier zette me tenslotte achterop de fiets bij mijn vader en zo kwam er een einde aan mijn verblijf in de Langstraat. Voortaan woonde ik blijvend bij mijn ouders. Mijn opoe heeft erom gehuild, mijn tante ook. Zo had zij dat toch niet bedoeld….

Mijn moeder had toen ik nog bij mijn opoe woonde zonder problemen kunnen werken. Ze was landarbeidster. Toen ik weer thuis was, moest er door haar het een en ander geregeld worden. Soms ging ik mee naar het land en speelde ik met kinderen die ook met hun moeder op het land waren. Ook bleef ik wel alleen thuis, want zoals gezegd was ik al vroeg zelfstandig.

Hoofdstuk 7


In het voorjaar van 1944 kwam het bericht dat de Duitsers van plan waren het eiland onder water te laten lopen. Bij een mogelijke aanval van de geallieerden zou het daardoor beter verdedigbaar zijn. Piet Troost, een man bij ons uit de buurt, bracht ons de brief waarin stond dat we moesten evacueren. Mijn moeder las de brief en fietste meteen naar de boerderij van Leo Jacobs, waar mijn vader werkte, om hem het een en ander mee te delen. Mijn vader en moeder hadden in die tijd drie kinderen. Na Thijs die in 1941 was geboren kwam Zeger, geboren in 1943. In eerste instantie trokken we naar Rotterdam, waar we familie hadden. We kwamen terecht bij de De Ruiter, een echtpaar met nog een dochter en een zoon thuis. Ze woonden een paar straten achter het Afrikaanderplein, niet ver van het Feyenoord-stadion, vlak langs het spoor. Het was een houten huis, helemaal geel geverfd. De Ruiter werkte bij de spoorwegen. 's Nachts denderden regelmatig treinen langs, waardoor van slapen in het begin niet veel terecht kwam. Het huis trilde dan op zijn grondvesten. We waren echter gauw aan de situatie gewend. We hebben er slechts enkele weken gewoond. Ik ging naar school op de hoek van het Afrikaanderplein, samen met mijn nichtje Annie en mijn neefjes Thijs en Gerard. Die woonden op het Afrikaanderplein met hun ouders, tante Mijn, de oudste zus van mijn moeder, en oom Toon Hoozemans. Ik kwam veel bij mijn oom en tante en na school liep ik dan ook vaak met mijn neefjes mee. Op een keer ging het mis. Ik raakte mijn neefjes kwijt en verdwaalde. Ik moet flink uit de koers geraakt zijn. Ik kwam zelfs in een ander deel van de stad terecht. De nog thuiswonende zoon van De Ruiter, die daar in een kapperswinkel werkte, zag me tot zijn stomme verbazing toevallig langslopen. Hij heeft me direct weer thuis gebracht.

Na enkele weken zijn we vanuit Rotterdam naar Groningen gegaan, onze definitieve evacuatieplaats. In Rotterdam konden we niet blijven. Er was geen werk voor mijn vader, en bovendien was er voedselgebrek. In gaarkeukens werd aan behoeftige gezinnen soep uitgedeeld. Op het Afrikaanderplein stond er ook één. Ik mengde me graag tussen de mensen in de rij, aangetrokken door de lekkere geur van erwten- en bonensoep. Die geuren herinner ik me nu nog af en toe. Waar we precies op de boot gingen voor de lange reis naar Groningen weet ik niet meer, maar de tocht ging over het IJsselmeer, richting Lemmer en vandaar verder over een kanaal naar Groningen. We voeren met twee boten naast elkaar en één ervoor om te trekken. Ook opoe en oom Lier waren bij ons. Oom Lier zat aanvankelijk op de voorste boot, maar via een kabel tussen de boten klauterde hij later bij ons aan boord. We hadden een plekje in het ruim. Mijn moeder en ons jongste broertje zaten daar op een oude deken op een laagje stro. Thijs en ik waren het liefst boven op het dek. Staande langs de reling keken we naar de einder die steeds verder uit het zicht verdween, naar het glinsterende water beneden ons, naar de meeuwen die naar de stukjes brood hapten die hen vanaf de boot werden toegegooid. We keken naar de boten die langsvoeren en zwaaiden naar de mensen die over het dek liepen. Vanuit het ruim riep mijn moeder steeds naar mijn vader: 'Rens, let je op de kinderen?' Ze schreeuwde het vrij hard, want mijn vader was slechthorend. Natuurlijk lette hij op ons. We genoten van de reis. Het was mooi zonnig weer. Het wit van de schepen en de weerschijn van de zon in het water deed pijn aan de ogen. We waren 's morgens vroeg vertrokken. De reis duurde een volle dag. Laat in de middag kwamen we aan in de haven van de stad Groningen. Toen onze spullen op een vrachtwagen waren ingeladen, en wij daartussen een plaatsje hadden gevonden, was het al avond. Het was nog steeds mooi weer, het zonnetje scheen. Via de weg langs het Damsterdiep verlieten we de stad en na ruim een half uur draaiden we opeens linksaf een zijweggetje in. Al na een paar honderd meter gingen we weer linksaf en reden we via een verhard, roodstenen pad op een grote boerderij af. Het was de boerderij van Tilma, een echt Groningse boerderij met kop, hals en romp.

0 Comments|10 Views|View full article
Visits
0014756
 
Loading...
Loading...